Het is belangrijk om informatie over diabetes te blijven herhalen bij de leerkrachten.
Door de klas goed te informeren vinden de leerlingen het normaal dat er een leerling met diabetes in de klas zit.

Voorheen kwam iemand van de thuiszorg om te prikken en te spuiten. Tegenwoordig kan de leerling dat zelf.
Bij traktaties hebben de ouders onderling contact, zodat de hoeveelheid insuline daar op aangepast kan worden.
De mentor weet dat de leerling diabetes heeft en geeft dit door aan de vakdocenten. Daarnaast onderhoudt de mentor contact met de ouders en de leerling.
Het is belangrijk dat aan de andere kinderen uitgelegd wordt wat diabetes precies is.

De leerkracht controleert of de leerling met diabetes bij een tussendoortje de juiste hoeveelheid insuline spuit.
De leerlingen met diabetes mogen altijd de klas uit om te prikken. Ook mogen ze eten en drinken als dat nodig is.

We hebben regelmatig contact met de ouders van de leerling met diabetes over wat we precies moeten doen.
De leerkracht kijkt mee bij het controleren van de bloedsuiker en bij het insuline spuiten. Met het insulinedagboekje weten we altijd hoeveel insuline de leerling moet hebben.
We hebben goed contact met de ouders en we kunnen ze altijd bellen met vragen over diabetes.
Door samen te overleggen is er wederzijds vertrouwen tussen de leerkrachten en de ouders.
 
button-leerkrachten
Kinderen 0-4 jaar
  GOED OM TE WETEN Diabetes en ziek zijn

Diabetes en ziek zijn

Wanneer een kind met diabetes ziek is, kan de bloedglucoseregulatie verstoord raken door bijvoorbeeld een slechte eetlust, koorts, braken en/of diarree. Of er nu wel of niet gegeten wordt, in geval van ziekte moet je altijd insuline blijven toedienen. Bij koorts soms zelfs meer dan normaal. Bij braken en/of diarree verliest het lichaam koolhydraten en heb je in de regel minder insuline nodig. Bij ziekte kan dus je bloedglucose gaan schommelen en dreig je ontregeld te raken. Bij ziekte, braken, diarree en/of koorts dient er altijd contact opgenomen te worden met de ouders. Als een kind met diabetes ziek is, moeten ouders ervoor zorgen dat hun kind opgehaald wordt van de opvang.

Afhankelijk van de bekwaamheid en bevoegdheid van de begeleider moet de ouder binnen een uur op de opvang aankomen om de handelingen uit te kunnen voeren. Anders belt u 112 en/of het behandelend kinderdiabetesteam.

Richtlijnen ziekte en diabetes

In principe halen ouders van kinderen die ziek worden hen tijdens opvangtijd op. Bij kinderen met diabetes is dit ook het geval, maar wel is het belangrijk dat begeleiders hun leerling met diabetes zo goed mogelijk helpen totdat een ouder of verzorger op de opvang is.



ZIEK ZIJN MET BRAKEN EN DIARREE

Insulinepentherapie Insulinepomptherapie
Controleer elke 2 uur de bloedglucose Controleer elke 2 uur de bloedglucose
Spuit de halve hoeveelheid insuline van normaal wanneer er iets gegeten/gedronken wordt (bijv. 1 Eh/25-30 Kh i.p.v. 1 Eh/15 Kh) Indien de bloedglucose < 3,5 mmol/L: volg richtlijn bij hypo;
Na 30 minuten, wanneer de bloedglucose weer > 6,0 mmol/L: pomp weer laten lopen, indien mogelijk op 50%
Indien je moet bijbolussen, doe dit voorzichtig zoals bij lichamelijke activiteit
Bolus de halve hoeveelheid insuline van normaal wanneer er iets gegeten/gedronken wordt (bijv. 1 Eh/25-30 Kh i.p.v. 1 Eh/15 Kh).
Eh=eenheden
Kh=koolhydraten

Ziek en een hyper ( > 10,0 mmol/L) zonder braken en/of diarree

Vaak wordt een hyper veroorzaakt door ziekte, al dan niet gepaard gaande met koorts. De lever maakt extra veel glucose aan doordat de stresshormonen actief zijn. Ook al wordt er weinig gegeten, er komt toch een behoorlijke hoeveelheid glucose in het bloed. Bij koorts kan het bloedglucosegehalte zo hoog oplopen dat je meer insuline nodig hebt dan normaal.

HYPER ZONDER BRAKEN EN DIARREE

Bij hoge bloedglucosewaarden door een tekort aan insuline, kan het lichaam gaan verzuren. Misselijkheid en braken kunnen daarvan een uiting zijn. Ook gaat het kind bij een hoge bloedglucosewaarde veel plassen. Hierdoor kan het gaan uitdrogen, zeker wanneer het kind door braken geen vocht binnenhoudt.

Insulinepentherapie Insulinepomptherapie
Controleer elke 2 uur de bloedglucose Controleer elke 2 uur de bloedglucose

Geef boven de 15,0 of 20,0 mmol/L in overleg een extra dosering insuline

Geef boven de 15,0 of 20,0 mmol/L in overleg een extra dosering insuline

Ziek en een hypo ( < 3,5 mmol/L) zonder braken en/of diarree

Een slechte eetlust komt vaak voor bij ziekte. Extra drinken met koolhydraten is een manier om hypo’s te voorkomen. Je kunt brood, aardappelen en dergelijke vervangen door andere, vloeibare koolhydraatbevattende voedingsmiddelen zoals pap, vla of gebonden soep. Eet verdeeld over de dag kleine porties.

HYPO ( < 3,5 mmol/L) ZONDER BRAKEN EN/OF DIARREE
Insulinepentherapie Insulinepomptherapie
Controleer elke 2 uur de bloedglucose Controleer elke 2 uur de bloedglucose
Neem zonodig ranja of dextrosetabletten of –poeder (volgens de voorschriften bij het kind)

Neem zonodig ranja of dextrosetabletten of –poeder (de voorgeschreven hoeveelheid bij het kind)

 

Stop tijdelijk de insulinepomp tot de bloedglucose > 6,0 mmol/L

Bron: DAWN Youth Adviesraad


 

Realisatie website: Joomla!Partner - Joomla! content management specialisten - en insiteout.com